|
B O L I V I A |
|
|
Bolivia is een republiek in Zuid-Amerika die grenst aan Peru, Brazilië, Paraguay, Argentinië en Chili.
In het westen ligt de Andes. De hoogste top van dit gebergte is de Nevado Sajama met een hoogte van 6542 meter. Het oosten van Bolivia is laagland en vormt het begin van het Amazoneregenwoud.
Het Titicacameer is een groot meer op de grens met Peru.
In het westen van Bolivia, in het departement Potosí, ligt de grootste zoutvlakte ter wereld: Salar de Uyuni.
In het Amazonebekken is het klimaat tropisch en vochtig, maar in de valleien en het hoogland is het vrij koel.
Het regenseizoen valt in de zomer, van december tot april.
Politiek
In 1982 werd de militaire macht overgedragen aan een burgerregering. De spanningen met Chili kwamen weer tot uiting bij de Boliviaanse Gasoorlog in 2003.
Eind 2005 werd de Indiaanse vakbondsleider en voormalige cocaboer (zie verder) Evo Morales tot president gekozen. Hij beloofde het aardgas, dat in het laagland rond Santa Cruz wordt gewonnen, naar de bergen te brengen in plaats van het te exporteren naar de Verenigde Staten. Op 30 april 2006 sloot hij een economisch verdrag met Cuba en Venezuela.
De MAS van Morales heeft geen sterke basis in het parlement. De president streeft daarom naar een nieuwe grondwet, waarin de uitvoerende macht moet worden versterkt. De oppositie wil daaraan alleen meewerken als de gebieden rond Santa Cruz meer autonomie krijgen.
Aan de vooravond van zijn inauguratie op 21 januari 2006, woonde Evo Morales een indiaanse ceremonie bij op de plek van de oude stad Tiwanaku. Evo Morales is een twijfelachtige afstammeling van de Aymará, de nazaten van de Tiwanaku.
In Bolivia wordt iedere 5 jaar een president gekozen. Deze gekozen president vormt samen met een kabinet een regering. Het machtsapparaat bestaat uit twee kamers: de Senaat en de Kamer van Afgevaardigden.
De regering van Bolivia zetelt in La Paz, maar de wettelijke hoofdstad is Sucre.
Evo morales
Als Evo zich met geweld wil opdringen, zal hij met geweld door het volk uit zijn macht ontzet worden. Het Boliviaanse volk verdraagt geen dictators!' De woorden van Gustavo Pedraza net voor de verkiezingen van oktober 2019. Pedraza was kandidaat-vicepresident, met Carlos Mesa als presidentskandidaat voor Comunidad Ciudadana, een burgerbeweging in het centrum van het politieke spectrum. Het duo zou zich opnieuw in de arena werpen in mei 2020 voor de nieuwe presidentsverkiezingen.
Het begon nochtans veelbelovend voor ex-president Evo Morales. Hij werd de eerste inheemse president van het land, aan de macht gekomen dankzij de steun van een brede beweging van inheemsen, de grootste bevolkingsgroep van het land. Zijn agenda was ambitieus: de “herstichting” van Bolivia. Er kwam een nieuwe grondwet, met erkenning van de rechten van Moeder Aarde en zijn filosofie van het goede leven.
Maar op 11 november 2019 moest hij de vlucht nemen naar Mexico, vergezeld van zijn vicepresident, de voorzitter én de vicevoorzitter van de senaat. De partij van Morales, MAS (Movimiento al Socialismo), is door de crisis uitermate verzwakt intern verdeeld en beschadigd. Toch ogen de eerste peilingen voor 3 mei positief voor MAS.
De 'grondwet stelt dat een president twee ambtstermijnen kan aanblijven. Evo Morales kwam in 2005 aan de macht en had in 2014 die twee periode rondgemaakt. Toen al bleek dat hij zich erg vastklampte aan de macht. In 2016 werd dat helemaal duidelijk: hij organiseerde toen een referendum met de vraag om de grondwet aan te passen en hem nog een ambtstermijn toe te staan. 51 procent van de stemmers antwoordde negatief.
Ondanks dit resultaat eiste Morales toch het recht op om zich nogmaals kandidaat te stellen.
Het was vanuit Santa Cruz, de grootste stad van Bolivia (en het grootste en belangrijkste departement), dat op 21 oktober de protesten tegen Morales' verkiezingsfraude op gang kwamen. Vanuit dit zuidoostelijke departement legden de protestacties het hele land lam, 18 dagen lang. In Santa Cruz bleven de protesten relatief rustig omdat ze vrij unaniem tegen Morales waren. Maar in Cochabamba, La Paz en El Alto raakten aanhangers van Morales' partij MAS slaags met het zogenaamde Verzet, gewapende stoottroepen van de blanke oppositie. In totaal vielen er 29 doden en talloze gewonden. Morales moest onverwijld opstappen. Echter, als hij het referendum erkend had, dan zou hij roem geoogst hebben voor zijn verwezenlijkingen.
Op 12 december kreeg hij politiek asiel in Argentinië, waar intussen de peronisten opnieuw aan de macht waren gekomen.
De grote aanstoker van de protesten was de rechts-conservatieve Luis Fernando Camacho. Hij wordt ook wel eens de Boliviaanse Bolsonaro genoemd. Camacho is een icoon van de blanke ondernemerswereld van Santa Cruz en de vroegere vicepresident van de fascistische paramilitaire jongerenorganisatie Unión Juvenil Cruceña. Hij trok in die tumultueuze dagen naar La Paz met een ontslagbrief voor de president in de ene hand en een bijbel in de andere.
Interimpresidente Jeanine Áñez tekende intussen een duidelijke oppositielijn uit. Ze stuurde de meer dan 700 Cubaanse dokters in Bolivia naar huis, verbrak de diplomatieke relaties met Cuba en trok diplomatiek personeel terug uit Venezuela.
Santa Cruz en La Paz, de politieke hoofdstad, hebben altijd op gespannen voet met elkaar gestaan. Het blanke oosten tegen het inheemse westen. Het departement Santa Cruz maakt deel uit van de zogenaamde Halve Maan-regio, en die heeft met presidentskandidaten Jeanine Áñez en Fernando Camacho twee rechtse vertegenwoordigers in de verkiezingscampagne.
In de veertien jaar dat Evo Morales aan de macht was, heeft de economie het zeer goed gedaan en dat is voor een groot deel te danken aan de nationalisering van de olie- en gasexploitatie. De opbrengsten daarvan gingen naar sociale maatregelen, zoals pensioenen, onderwijs en armoedebestrijding. De extreme armoede daalde van 39 naar 17 procent.
Maar de voorbije veertien jaar verloor Morales ook veel krediet.
Het leger is tot op de voorlaatste dag een steunpilaar geweest van Morales' macht en werd daar ook voor beloond met allerlei privileges. Maar het weigerde om een bloedbad aan te richten onder de eigen bevolking en het gevaar te lopen om daar nadien voor berecht te worden. Ook andere gewezen bondgenoten vroegen het aftreden van Morales, niet in het minst de vakbond Central Obrera Boliviana en de mijnwerkers van Potosi, dat vroeger een absoluut MAS-bolwerk was.
Lithium, de fabulueuze grondstof voor onder meer batterijen, was de geleider om Evo en Potosi op een slinkse manier uit elkaar te spelen. Vlak voor de verkiezingen van oktober organiseerde het burgercomité van Potosi, onder leiding van Marco Pumari, een dagenlange staking. De stakers wilden dat het contract werd geannuleerd dat Evo Morales had gesloten met een Duits en een Chinees bedrijf voor de exploitatie van de lithiumvoorraden in de Salar de Uyuni. In die bekende zoutvlakte bevinden zich de grootste lithiumvoorraden van de wereld. De inwoners van Potosi vonden de opbrengsten die naar hun departement zouden gaan te laag en dwongen Morales tot het annuleren van de lithiumcontracten.
De verleiding is groot om in de politieke turbulenties van Bolivia de agenda van Amerikaanse belangen te zien. Toch willen de Bolivianen -zowel de voor- als de tegenstanders van Morales- begrepen worden vanuit hun eigen frustraties en verzuchtingen. Zo bijvoorbeeld de inheemse gemeenschappen in het zuiden van Santa Cruz, diep in de tropische Chiquitania. In Roboré, een gemeente van 18.000 inwoners en vier legerkazernes, niet ver van de Braziliaanse grens, werkt de inheemse organisatie Contiocap. Met hun netwerk gaan ze de strijd aan tegen olieontginningen in natuurgebieden, stuwdammen voor hydro-elektriciteit waarbij inheemse gemeenschappen worden bedreigd en schendingen van de rechten van mensen of van Pachamama (Moeder Aarde).
Is Evo Morales, de president van de Rechten van Moeder Aarde, dan niet hun bondgenoot? Welnu, in het buitenland wierp hij zich op als de grote beschermer van Pachamama en de inheemsen, maar in eigen land toonde hij een ander gezicht. Hij deed zich voor als groot antikapitalist en anderzijds sloot hij contracten af met groepen die hun macht bouwen op de agro-industrie en op een economie van extractivisme (de massale ontginning van natuurlijke grondstoffen). Allemaal groepen die zich nauwelijks bekommeren om het algemeen belang.
Bovendien verdeelde hij de inheemsen en zaaide hij racisme door handelingen te stellen die er enkel op gericht waren om de steun te krijgen van zijn achterban. Op die manier creëerde hij spanningen tussen de bevolkingsgroepen.
Dit beleid was ook mee de 'aanstoker' van de immense bosbranden. Die branden ontstonden in Roboré omdat de kolonisten de traditionele praktijken van gecontroleerd afbranden niet kennen en verkeerd gebruiken. Evo Morales weigerde ook de branden te erkennen als nationale ramp opdat er internationale hulp zou komen. Met de bosbranden heeft Morales hier ook zijn imago verbrand. Hij minimaliseerde het drama en dat kan je niet ongestraft doen bij de jongere generatie, die erg gevoelig is voor het klimaatthema.
In 2010 was er een grote inheemse mars om autonomie te verkrijgen. En in 2011 was er het conflict over de aanleg van een weg door het inheemse natuurgebied Tipnis, voor de verbinding van Cochabamba met Beni, dwars door waardevol Amazonegebied. Morales en inheemse gemeenschappen stonden in deze strijd lijnrecht tegenover elkaar.
Evo Morales, de cocaboer!
De regeringspartij MAS windt de internationale gemeenschap met mooie praatjes om de vinger, maar blijkt achter de schermen een cocaïne-imperium te runnen.
Coca zelf is een gevoelig, gepolitiseerd thema in Bolivia. De plant wordt al millennialang gekweekt op de steile Andesflanken en speelt een cruciale rol in de culturele beleving van verschillende bergvolkeren. Naar schatting 60% van de Bolivianen kauwt geregeld coca. Maar daarnaast vormt het blad ook de basis voor de productie van cocaïne.
Om te vermijden dat er coca afvloeit naar de illegale markt voor cocaïneproductie, werd al decennia geleden een systeem opgericht met officiële markten. Op zo’n markt kopen handelaars coca in, waarna ze die verdelen over het hele land. Een officieel orgaan registreert en controleert de aankopen, waardoor het in principe een gesloten systeem is. De Boliviaanse wet voorziet in twee zulke markten: één in La Paz, één in Cochabamba. Die plekken corresponderen met de twee regio’s waar coca legaal geteeld mag worden: respectievelijk Los Yungas en Chapare.
In 2021 opende de regering plots een derde markt. Die markt bleek ook de naam te dragen van vakbond ADEPCOCA van cocaboer Apaza en was op exact dezelfde manier georganiseerd als de markt die er al stond. Het enige verschil? De nieuwe bewindvoerder was loyaal aan de regering. Opkopers werden sinds die dag verplicht om aan te kopen op de regeringsmarkt. De cocaboeren kwamen in opstand tegen wat zij beschouwden als een ‘illegale’ cocamarkt.
Welnu, wie de recente geschiedenis van Bolivia wil begrijpen, kan niet om de controversiële figuur van Evo Morales heen. Zijn persoonlijke geschiedenis is nauw verweven met het cocablad.
Geboren in 1959 in een gehucht op de hoogvlakte, arriveerde de jonge Evo in 1980 in de tropische Chapare-regio. Hij was niet alleen. De tropische regio werd in die jaren goldrushgewijs bevolkt door voormalige mijnwerkers op de vlucht voor armoede in hun dorpen in de Andes. Destijds mocht in de Yungas weliswaar 12.000 hectare geteeld worden om te voldoen aan het traditionele gebruik, maar in de Chapare was de teelt illegaal.
In de jaren ‘80 steeg vanuit de Verenigde Staten de vraag naar cocaïne exponentieel. In die periode was de Boliviaan Roberto Suaréz ’s werelds grootste drugshandelaar. Met zijn drugsgeld (en de logistieke hulp van de CIA en de gevluchte nazibeul Klaus Barbie) pleegde Suaréz’ neef Luis García Meza in 1980 een staatsgreep. In de dertien maanden onder zijn bewind ontpopte Bolivia zich tot dé cocaïnesupermarkt van de wereld. Het land werd officieel de eerste narcostaat ter wereld: er was geen regering aan de macht, maar een drugskartel.
Al snel ontwikkelde de Chapare zich tot grootleverancier voor die exploderende cocaïne-industrie. Twee factoren speelden mee waarom precies de Chapare zich ontwikkelde tot die positie, en niet de Yungas. Er was het (zeker destijds) dichte bladerdek van de tropische regio, dat illegale praktijken veel gemakkelijker verhulde, tegenover de kalere bergwanden van de Yungas. Maar vooral: de Chapare-coca was niet geschikt om te kauwen. Een grote hoeveelheid alkaloïde geeft een intens zure smaak af. Elke Boliviaanse kauwer verkiest het zoete blad uit de Yungas, waar het al sinds Incatijden geteeld wordt. In de praktijk kon de Chapare-coca dus maar één bestemming hebben. Ze vloeide regelrecht naar lokale laboratoria in de jungle van de Chapare. Onder leiding van de Boliviaanse regering fabriceerden koks daar het in de Verenigde Staten zo geliefde witte poeder.
Halverwege de jaren ‘80 kwam de Amerikaanse war on drugs op kruissnelheid, en dat liet zich voelen in de Andes. De Chapare-boeren werden massaal en gewelddadig onderdrukt. En vanaf 1990 werkte een jonge, charismatische boer zich in de kijker als leider van de onderdrukte cocaleros: Evo Morales. Hij wou het cocablad heropwaarderen als symbool voor de strijd van de inheemse Boliviaan tegen de witte onderdrukker. In zijn discours hadden de gringos het heilige cocablad gecorrumpeerd door er cocaïne van te maken. De cocaboeren waren slachtoffers van een Amerikaanse uitbuitingspolitiek!
In de schoot van z’n cocavakbond Seis Federaciones richtte Morales in 1997 de politieke partij MAS (Movimiento al Socialismo) op en in 2005 won hij de verkiezingen. De Verenigde Naties bevestigden ondertussen dat 90% van de Chapare-coca regelrecht naar de illegale markt ging. Lokale geruchten gingen zelfs dat Morales in z’n jonge jaren een pisero was, het laagste hulpje in de cocaïneketen, die de blaadjes op blote voeten vermengt met chemicaliën.
Met het Acuerdo Cato legaliseerde de regering in 2004 tot 3200 hectare coca in de Chapare. Vier jaar later knikkerde Morales de Amerikaanse drugsbestrijdingsdienst DEA het land uit. In 2017 verklaarde hij het cocakauwen tot immaterieel erfgoed. En dan ging het plots hard: Morales’ regering legaliseerde in 2017 maar liefst 7700 hectare Chapare-coca. Daarmee kwam de totale hoeveelheid legale coca op 22.700 hectare: 7700 in de Chapare en 15.000 in de Yungas. Waar de voltallige internationale gemeenschap aandrong op minder coca, deed Morales precies het tegenovergestelde.
Bolivia houdt de internationale gemeenschap voor dat het een hele industrie rond het blad wil bouwen. Tandpasta’s op basis van coca, crèmes, thee, noem maar op. Maar in werkelijkheid gebeurt zoiets natuurlijk helemaal niet. Drugsgeld werd de belangrijkste buffer van de Boliviaanse economie, die voorts noodlijdend is.
De tegenhanger van ADEPCOCA in de Chapare heet dus Seis Federaciones. Evo Morales is tot op vandaag voorzitter van de cocavakbond annex drugskartel.
Klimaatverandering
Dezelfde hoeveelheid regen die vroeger in vijf maanden viel, valt nu in januari en februari. Het is onbeschrijflijk hoeveel water er dan valt. In de modderstromen verdrinkt het vee en glijden huizen van de bergen. De boeren weten niet meer wanneer ze moeten zaaien, er is onverwachte nachtvorst en ze weten ook nooit wanneer de regen komt. De natuur is in de war!
Iedereen ziet dezelfde veranderingen: in de afgelopen tien jaar is het aanzienlijk warmer en droger geworden, en de regenperiode is verkort en verhevigd.
Bolivia wordt onevenredig hard getroffen door klimaatverandering, door de combinatie van twee extreme klimaatzones in het land: hoogland en Amazone. De periodes van droogte en de toegenomen temperatuur zorgden er al voor dat het op een na grootste meer van het land helemaal opdroogde. Het World Food Programme categoriseert Bolivia ondertussen als het meest voedselonzekere land in Latijns-Amerika: één op de vier mensen heeft honger.
De boerinnen zijn genoodzaakt hun tradities totaal om te gooien. Omdat aardappels niet meer willen groeien, testen de vrouwen allerlei nieuwe gewassen, die eigenlijk bij lager geleden gebieden horen, zoals perziken en uien. Of gladiolen, misschien. Door de variatie aan gewassen die ze nu verbouwen, zijn de gemeenschappen wel grotendeels zelfvoorzienend geworden en hoeven ze groenten niet meer op de markt te kopen. Maar door gebrek aan ervaring ondervinden de boeren meer problemen met die nieuwe gewassen: zo gebruiken ze voor het poten van aardappels stieren, maar uien planten ze allemaal met de hand.
De warmte zorgt ook voor plagen die de boerinnen nog niet kenden, zoals bladluizen en rode spinnetjes die vreten aan de bladeren en bloemen van jonge planten, vooral aan bonen. De organisatie INCCA, het Boliviaanse Instituut voor Empowerment van Boerengemeenschappen, leert hen zelf ecologische kunstmest en bestrijdingsmiddelen maken. Zo wordt de bodem niet uitgeput en de opwarming tegengegaan.
Bij INCCA zegt men dat er geen garantie is dat er over dertig jaar nog voldoende water in de grond zit. Zij proberen de bronnen te beschermen tegen de droogte door vegetatie aan te planten die het water vasthoudt. Maar hun goede ideeën komen niet altijd overeen met die van de bewoners. Zo is er een programma van de regering waarbij men eucalyptusbomen aanplant om erosie tegen te gaan. Maar na een paar jaar kappen de bewoners de bomen om het hout te verkopen, als aanvulling op hun inkomen...
Een van INCCA's programma's richt zich op het aanleggen van irrigatiekanelen. Op afgesproken dagen komen mannen, vrouwen en kinderen samen om het kanaal te graven voor de kunststofbuizen. Op die manier verdampt er minder water en kan voortaan tot 90% van het water gebruikt worden. Geld komt o.m. van hulporganisatie Solidagro uit België (zie verder). Heel fijn voor de moeders, die nu meer tijd kunnen besteden aan de kinderen. Veel mannen doen immers seizoensarbeid en vertrekken tijdelijk voor de cocaoogst of gaan naar de steden om te werken in de bouw. De vrouwen blijven alleen achter in de dorpen en zijn volledig verantwoordelijk voor het werk op het land, de verzorging van de dieren en de kinderen. Ze proberen hun inkomen te vergroten door bijvoorbeeeld chicerás te runnen -dranklokalen waar zelf geproduceerde alcohol van gefermenteerde maïs wordt geschonken- of kippen te slachten en te verkopen op de markt.
Omdat de vrouwen eigenhandig verantwoordelijk zijn voor de voedselopbrengst maar tegelijkertijd niet dezelfde rechten en aanzien hebben als mannen, hebben ze het extra moeilijk om hun boerenbedrijven te wapenen tegen klimaatverandering. Het is ook nog maar enkele jaren zo dat vrouwen bijvoorbeeld landrechten mogen hebben, of zich kunnen inschrijven als rechthebbende op water bij een waterbedrijf. Daarom is er in de afgelopen jaren meer aandacht voor programma's gericht op gendergelijkheid.
Sinds President Evo Morales vaststelde dat 50 procent van de regering uit vrouwen moet bestaan, staat Bolivia sinds 2016 met 53 procent bovenaan de landenranglijst van de Verenigde Naties op het gebied van vrouwelijke politieke inclusie in Zuid-Amerika. Ook de gemeentebesturen worden voor de helft bezet door vrouwen. Vrouwen in Bolivia zijn over het algemeen vrij timide, de mannen zijn dominant. Tot voor kort werden vrouwen hier niet gewaardeerd, maar die situatie verandert. Ze worden getraind voor meer leiderschap, maar ook mannen nemen deel aan de cursussen. Vrouwen zijn al veel onafhankelijker. Ze hebben hun eigen moestuinen, beslissen mee en denken mee over het beleid dat wordt uitgezet. De mannen kunnen niet meer om hen heen!
2017 was op nationaal niveau in Bolivia een zeer onrustig jaar met de omstreden goedkeuring van de kandidatuur van de huidige president Evo Morales voor de presidentsverkiezingen in 2019. Ook het nieuwe Wetboek van strafrecht zorgde voor veel onrust en is uiteindelijk door de sociale druk in de grote steden weer teruggedraaid. De protestmarsen en wegblokkades zorgden vooral in de steden voor problemen en tijdelijk beperkte toegang tot de werkgebieden.
Solidagro
(Solidagro zet zich in voor het recht op voedsel voor iedereen en ondersteunt het recht van volkeren en staten om autonoom hun eigen voedsel- en landbouwbeleid te bepalen.)
2017 was het opstartjaar voor het programma 2017-2021 in Bolivia, waarbij de focus gelegd wordt op de regio Cono Sur van het departement Cochabamba en wel voor beleidsbeïnvloeding, capaciteitsversterking en communicatie. Dat gebied telt zo'n 126.000 inwoners, verspeid over 12 gemeenten. Samen met drie lokale partnerorganisaties wordt er gewerkt aan het recht op voedsel en water. Dit wil zeggen dat de nadruk niet ligt op het realiseren van zo veel mogelijk investeringen maar op het uitwerken van agro-ecologische modellen die naar andere gemeenten gerepliceerd kunnen worden.
- Integraal waterbeheer
Het gebrek aan water vormt in de regio Cono Sur één van de grootste problemen voor de bevolking. De toegang tot water is een recht dat als zodanig erkend is in de Boliviaanse Grondwet. Op lokaal en regionaal niveau ontbreekt echter vaak de nodige technische en juridische kennis. Solidagro streeft met haar partners en andere relevante actoren naar een verbeterd lokaal overheidsbeleid voor integraal waterbeheer.
- Belang van analyse
Om een wetenschappelijke basis te geven aan de beleidsvoorstellen heeft Solidagro de Katholieke Universiteit van Bolivia aan zich gebonden. In eerste instantie zullen zij in de gemeente Tiraque van start gaan met onderzoek naar de waterproblematiek.
- Rol van de Staat
Op de korte termijn heeft dit als resultaat een investering van gemeentelijke overheden in irrigatie. Voor de lange termijn mikt het programma op verbeterd overheidsbeleid van de gemeenten rond integraal waterbeheer met speciale aandacht voor de bescherming van hun waterbronnen.
- Empowerment en mobilisatie
Solidagro versterkt de basisiorganisaties in de regio in haar capaciteiten voor beleidsbeïnvloeding. De basisorganisaties baseren zich in hun lobbyactiviteiten op de concrete modellen rond water en voedselzekerheid.
- Ontbijt op school voor een gezonde start
In het hooggebergte van Bolivia hebben kinderen te kampen met ondervoeding ten gevolge van een eenzijdig menu. Daarom zetten de partners van Solidagro in op meer diversiteit in de moestuin en in de keuken! Kinderen moeten vaak een uur stappen door berg en dal om naar school te gaan. Daar staat hen een voedzaam ontbijt te wachten dat door een lokale vrouwengroep werd gemaakt. De poeders waar water aan toegevoegd moet worden, zijn van maïs, tuinbonen en verschillende graansooorten die lokaal geproduceerd zijn. Aynisuyu, één van de partners van Solidagro, ondersteunt een vrouwengroep in de gemeente Vila Vila, die de landbouwproducten verwerkt tot ontbijt. Ook worden zo veel mogelijk energiezuinigere en gezondere keukens geïnstalleerd.
Traditioneel gebruiken vrouwen hout om mee te koken. Er is dan ook veel houtkap die de bergflanken onvruchtbaarder en instabieler maakt omwille van erosie. Bij energiezuinige keukens is minder hout nodig en wordt de rook naar buiten afgeleid.
Water voor irrigatie van landbouwgronden is afkomstig uit hoger gelegen natuurlijke waterbronnen. Met een irrigatiesysteem van leidingen, reservoirs en kraantjeswater gaat minder water onderweg verloren door verdamping of infiltratie in de bodem. Sprinklers worden gebruik als sproeisysteem.
Andere doeleinden: certificeren van agro-ecologische producten voor alternatieve markten. Certificatie is nodig om aan te tonen dat groente op een argo-ecolgische manier werden geproduceerd en als dusdanig verkocht mogen worden. Momenteel lijkt het certificatieproces opgelegd door de overheid zeer bureaucratisch en bekijken we de effectieve meerwaarde ervan voor de boerenorganisaties.
Verkiezingen!
Bolivia kiest in oktober een nieuwe president en de partij van Evo Morales ligt op kop in de peilingen.
Eerst waren er de controversiële verkiezingen van 20 oktober vorig 2019. Toen vluchtte oud-president Evo Morales, op 10 november, het land uit. Nieuwe presidentsverkiezingen werden beloofd voor 3 mei, dan voor 6 september, maar het zal uiteindelijk nog tot 18 oktober duren voor de Bolivianen opnieuw naar de stembus kunnen. En het coronavirus is maar een deel van de verklaring voor dat uitstel.
Het Boliviaanse Kiestribunaal herzag de datum onder druk van de (extreem-)rechtse kandidaten Luís Fernando Camacho en Tuto Quiroga. Ook voor interim-presidente Jeanine Añez kwam het uitstel niet ongelegen. Bij haar aantreden beweerde ze zelf met klem geen kandidaat te zijn, maar ze doet toch een gooi, voor het rechtse Juntos. Haar populariteit had de laatste maanden een fikse knauw gekregen door het gebrekkige crisismanagement van de pandemie en de corruptieschandalen in haar regering.
Senaatsvoorzitter Eva Copa wist 6 september als datum af te dwingen, onder druk van massaprotesten en van de senaat zelf, waar de partij van Morales, MAS (Movimiento al Socialismo), in de meerderheid is. Het was tegen de zin van de rechtse partijen. Die wilden meer tijd voor hun campagne, gezien de ruime voorsprong van MAS-kandidaat Luis Arce in de peilingen.
Kandidaat Carlos Mesa is een centrumfiguur, die een aantal lessen trok uit het recente verleden. Hij was al korte tijd president, van 2003 tot 2005. Opmerkelijk is wel dat Mesa in zijn campagne opkomt met de slogan ‘einde aan het extractivisme’, verwijzend naar de (over)ontginning van natuurlijke grondstoffen.
Dat maakt het grondstoffenbeleid de inzet van deze verkiezingen. Evo Morales vertrok na frauduleuze verkiezingen, die uitmondden in geweld, en onder druk van het leger. Maar intussen kwam aan het licht dat zijn vertrek mee afgedwongen werd door de Verenigde Staten (lees: miljardair Elon Musk, ceo van elektrische-autoproducent Tesla). Die willen beslag leggen op de Boliviaanse voorraden lithium, een strategische grondstof voor de productie van lithium-ionbatterijen, nodig voor elektrische wagens en voor de opslag van wind- en zonne-energie.
Presidentskandidaat Luis Arce, gewezen minister van Economie in de regering-Morales, berekende dat de lithiumindustrie Bolivia jaarlijks 4,5 miljard dollar kan opleveren. De regering van Jeanine Añez heeft al bekendgemaakt dat ze multinationals wil uitnodigen om het Boliviaanse lithium te ontginnen. De plannen van MAS gaan daar lijnrecht tegenin.
Lithium!
Bolivia zit op de grootste voorraad lithium ter wereld, een cruciale grondstof voor batterijen. Maar het lithiumbeleid blijkt een lege doos met een strik errond.
Op papier is Colcha K het rijkste dorp van Bolivia. Colcha K ligt aan de zoutvlakte Salar de Uyuni, waaronder volgens het Amerikaanse Geological Survey de grootste voorraad lithium ter wereld ligt. De lokale overheid nam daar, met het gemeeentehuis en de voetvelden, duidelijk al een voorschot op. Maar voor de bewoners is het lithium vooralsnog geen vetpot.
In 2008 leek alles heel anders toen de regering aankondigde dat Boliva zijn lithium te gelde zou maken. De Andesregio, die de grens vormt tussen de drie landen, heet dan ook de 'lithiumdriehoek'. Maar elk van de drie landen hanteert een ander tempo waarin het lithium ontgint. Chili doet het al sinds 1984, Argentinië sinds 1997. Dat vertaalt zich in de productie: de Chilenen haalden in 2021 zo'n 26.000 ton boven, Argentinië komt op de tweede plaats met 6200 ton in datzelfde jaar. Bolivia blijft steken op enkele honderden ton.
Aan de basis van dat productieverschil ligt een verschil in visie. Argentinië laat alles over aan de vrije markt, Chili hanteert een model van overheidscontrole. En Bolivia kiest voor volledige sturing door de staat. De socialistische regeringspartij MAS wil zo de fouten uit het verleden vermijden. Wat het lithium betreft probeert ze daarom de grondstoffenroof van Potosí te vermijden, waarbij uitbuiters al het zilver meenamen en niets achterlieten voor het eigen land.
Evo Morales verwees daarmee naar de berg Cerro Rico ('Rijke Heuvel') aan de stad Potosí. Die leverde in koloniale tijden fabelachtige hoeveelheden zilver op, exclusief voor de Spaanse kroon. De roof vormt de basis van wat later 'extractivisme' is gaan heten: het ongebreideld exploiteren van natuurlijke rijkdommen, zonder bekommernis om mens of leefomgeving. Hij zag het al helemaal voor zich: Bolivia als 'het Saudi-Arabië van Latijns-Amerika', surfend op de golf van de wereldwijde energietransitie. En zo werd in Rio Grande, een deelgehucht van Colcha K, een pilootproject opgericht. De Llipi-fabriek behelst een raster van gigantische 'zwembaden'. De bedoeling is dat het lithium daarin uitkristalliseert, een standaarmethode in Chili en Argentinië.
Maar een team ingenieurs waarschuwde al in 2008 voor de eigenheid van de Bolivaanse geologie: de zwembadmethode zou niet werken. Er zitten te veel andere materialen in de grond, waaronder magnesium. De regering legde hun aanbevelingen terzijde en die inschattingsfout vertaalde zich in de productie: de doelstelling was 40 ton per maand, maar de Llipi-mijn blijft in de paktijk steken op een schamele 5 ton.
In de loop van 2023 kwam men met een andere oplossing. President Arce, opvolger en partijgenoot van Morales, kondigde een reeks akkoorden met Russische en Chinese bedrijven aan. De bedrijven Rosatom, CITTC Guoan en CATL moeten vooral technische kennis leveren aan het Bolivaanse staatsbedrijf Yacimientos de Litio Boliviano (YLB), dat het meerderheidsbelang blijft behouden. De deal, ter waarde van 1,4 miljard dollar, zal een nieuwe techniek introduceren: Direct Lithium Extraction (EDL).
Daarmee lijkt er eindelijk schot te komen in een zaak die al minsten vijftien jaar aansleept. De prognose van de regering is dat de Boliviaans-Russisch-Chinese deal goed zal zijn voor 100.000 ton lithium per jaar, vanaf 2025. Wat intussen wordt verzwegen voor de bevolking: de EDL-techniek lag dertien jaar geleden al op tafel, maar werd toen afgevoerd. Ondertussen heeft de zwembadmethode wel een miljard dollar gekost.
Opmerking: de deal met Rusland en China is eigenlijk illegaal. Buitenlands kapitaal mag volgens de wet alleen gebruikt worden voor meerwaardeproductie, niet voor de ontginning zelf, want die moet in handen van het staatsbedrijf blijven. Daarmee handelt de regering tegen haar eigen Mijncode, afgekondigd in 2014. De wet stelt trouwens ook dat ontginning moet gebeuren in overleg met de lokale gemeenschappen én met respect voor Pachamama, Moeder Natuur. In Colcha K komt van beide zaken niets in huis. Zo werd bijvoorbeeld nooit verteld hoeveel water er gebruikt zou worden voor hun productie en wat het gevolg zou zijn voor de quinoavelden.
Zoveel onkunde is wraakroepend, vinden de Bolivianen. In 2019 trokken woedende Bolivianen in Potosí de straat op om een deal aan te klagen die de regering in alle stilte had gesloten met een Duits mijnbedrijf. De Duitsers zouden lithiumhydroxide gaan produceren en er zou zelfs een fabriek voor batterijen komen. De volkswoede in Potosí verspreidde zich al snel over het hele land. Daarop verbrak Morales de Duitse deal. Maar de gemoederen bleven verhit, en het leger suggereerde dat Morales beter opstapte. Kort daarop vertrok hij naar Mexico. Zijn partijgenoot en huidig president Luis Arce kan echter op even weinig sympathie rekenen.
In weerwil van de politiek beweegt er intussen wat in onverwachte hoek. In een buitenwijk van Cochabamba stampte José Carlos Márquez een fabriek voor elektrische auto's uit de grond. Ideaal voor snel personentransport in de stad. De auto's rijden zelfs al in Paraguay, Peru, Mexico en El Salvador. Echter, algemeen kan worden aangenomen dat Bolivia de trein gemist heeft…
Kinderarbeid
Evo Morales sprak zich eind 2013 uit tegen een verbod op kinderarbeid. Een groep minderjarigen was speciaal bij hem komen pleiten om hun job te behouden omdat anders hun familie zonder geld zou komen te zitten. Dit hadden ze gedaan via de Vakbond voor Minderjarige Werknemers.
In Bolivia gingen toen zo'n 850.000 kinderen tussen vijf en veertien jaar werken in plaats van naar school te gaan. De regering in Bolivia, het armste land van Zuid-Amerika, werkte op vraag van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) aan een wet om kinderarbeid onder de 14 jaar aan banden te leggen. Een wetsvoorstel dat verrassend genoeg op veel verzet stuitte bij de jongeren zelf.
Morales was van mening dat kinderuitbuiting zeker moet gestopt worden en dat de staat daarop moet toezien. Maar kinderarbeid zou niet verboden moeten worden...
Door zijn uitspraken had Morales er alvast voor gezorgd dat de wet uitgesteld werd..
Dat de president zich uitsprak tegen het verbod, had misschien ook wel iets te maken met zijn persoonlijke verleden: als kind had hij ook allerlei baantjes. Hij werkte in een bakkerij en een bedrijf dat bakstenen maakte. Als vijfjarige jongen volgde Morales zijn vader naar Argentinië om er te werken op suikerrietplantages. In zijn tienerjaren speelde hij trompet op straat in ruil voor wat cash.
Alleen: de werkomstandigheden voor minderjarige werkkrachten in Bolivia waren vaak slecht tot ronduit gevaarlijk. Zeker in sectoren die moeilijk te controleren vallen, zoals de landbouwsector en de mijnbouw, of illegale trafieken waar kinderen ook vaak worden ingezet. Inderdaad wees een studie van het Ministerie van Arbeid erop dat zowat in elke sector in Bolivia ook kinderen aan de slag zijn: in autogarages, baksteenfabrieken, supermarkten, op vissersboten, bij de vuilnisophaling, tot de schoonmaak van ziekenhuizen en de verkoop van alcoholische dranken en sigaretten toe. Ze worden ingezet in de mijnbouw als hun ouders ziek zijn geworden van het zware werk of moeten twaalf uur per dag hard labeur verrichten op suikerrietplantages. En op zoek naar goud in de rivieren van het noorden moeten ze uren in het water doorbrengen.
In 2014 haalde Bolivia het wereldnieuws met een opvallende hervorming van de wet op kinderarbeid. Niet alleen gaf die wet werkende kinderen het recht op hetzelfde minimumloon en dezelfde sociale zekerheid als volwassenen, ook mochten kinderen van 10 tot 14 jaar voortaan legaal aan de slag, met toestemming van de ouders. Daarmee was Bolivia het enige land ter wereld dat kinderen zo jong toestond om te werken.
Maar de wet was geen lang leven beschoren: in 2018 werd de legalisering van kinderarbeid weer teruggedraaid onder druk van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), waar ook Bolivia bij is aangesloten. Volgens IAO-verdrag 138 over kinderarbeid mogen kinderen vanaf 15 jaar werken, waarbij het doel is om kinderarbeid op de lange termijn af te schaffen. Ontwikkelingslanden mogen gedurende een 'overgangsfase' een mimimunleeftijd van 14 jaar aanhouden, zolang de kinderen geen gevaarlijk verrichten en naar school gaan. Ook Bolivia heeft dit verdrag geratificeerd.
Veel verschil heeft de wet niet gemaakt. Van de invoering van arbeidsrechten voor kinderen kwam niets terecht, en kinderarbeid verbieden heeft eveneens weinig zin. De realiteit blijft dat veel mensen in armoede leven en daarom gaan kinderen vanaf jonge leeftijd de informele arbeidsmarkt op.
Anno 2025 werken kinderen nog steeds voor bedragen ver onder het minimumloon en met dagen langer dan 8 uur, voor soms maar 10 dollar per week. Ze worden uitgebuit. Geen enkele werkgever is bereid zijn minderjarige werknemers het minimumloon te betalen wanneer volwassen werknemers dat nog niet eens verdienen.
De informele arbeidsmarkt is gigantisch in Bolivia. De economische crisis en de droogte als gevolg van de klimaatverandering drijven steeds meer boerenfamilies naar de stad op zoek naar inkomsten en zetten daar ook hun kinderen aan het werk. En de ouders zien dat niet als iets verkeerds.
Lokale ngo's proberen het tij te keren met opvang na school en met onderwijsprogramma's. De kinderen waarvan hier sprake hebben immers bijzonder weinig zelfvertrouwen.
Zo is er bijvoorbeeld dat gezin van negen uit Sucre dat in extreme armoede leeft. De moeder verkoopt snoep een paar straten verderop in het centrum, de vader werkt met enkele van haar broers in de zilvermijnen van Potosi, een stad vier uur rijden naar het zuiden. Maar het inkomen van het gezin is niet toereikend en daarom moeten de kinderen van jongs af aan bijdragen.
In Bolivia wordt er volgens cijfers van de overheid regelmatig gewerkt door 3 op de 10 kinderen tussen 5 en 17 jaar. Als verkoper op straat, bij bushaltes, restaurants, winkels, of als drager op de markt. Of als autowasser. Voor een povere eurocent halen ze een doekje over de wielen, lappen ze de ramen of wassen ze de vloer. Op een dag scharrelen ze zo nauwelijks 1 euro bijeen.
Andere kinderen helpen hun ouders, van wie het merendeel in de informele economie werkt. Zoals de 11-jarige Liliana. Van jongs af aan helpt ze haar moeder met het koken en verkopen van maaltijden in het centrum van de stad. Er is niet altijd genoeg eten in huis en ze eten dus gewoon wat overblijft van de verkoop. Haar vader heeft het gezin verlaten en hij draagt niets bij. Maar het is moeilijk om hem veantwoordelijk te houden, omdat haar moeder geen aanvraag heeft gedaan voor alimentatie.
In 2019, het jaar van de laatste telling, ging het over meer dan 724.000 kinderen. Dat aantal is de afgelopen jaren alleen maar toegenomen. Sinds de pandemie is de Boliviaanse economie in vrije val, waardoor nog meer kinderen noodgedwongen aan het werken moeten. Trouwens, wereldwijd is het aantal kindarbeiders toegenomen: in het pandemiejaar 2020 tot 160 miljoen. Terwijl tussen 2000 en 2016 juist een daling was ingezet, naar 151 miljoen (cijfers van de IAO, Unicef en de VN in een onderzoeksrapport van 2021).
Meer dan de helft van de werkende kinderen in Bolivia is jonger dan 14 jaar, de wettelijk toegestane leeftijd om te werken. Ongeveer 300.000 kinderen werken onder gevaarlijke omstandigheden die bij wet voor kinderen verboden zijn: in de zilvermijnen, op cocaplantages, in baksteenfabrieken of 's nachts.
Het mobiele schooltje (Escuelita Movil) in Sucre is een initiatief van de lokale ngo Cerpi, een organisatie die pedagogische hulp biedt aan kwetsbare kinderen uit gezinnen die in armoede leven. Zo biedt Cerpi op zeven locaties naschoolse opvang, waar de kinderen dagelijks hulp krijgen met hun huiswerk en waar ze ongedwongen kunnen spelen terwijl hun ouders aan het werk zijn. Daarmee tracht de organisatie te voorkomen dat de kinderen aan het werk gaan of rondzwerven.
Er wordt tenminste al gewerkt aan het herstellen van hun zelfvertrouwen, zodat hun sociaal-economische omstandigheden hen niet beletten om iets of iemand te zijn in het leven. En ze krijgen er ook de aandacht waar het hun thuis aan ontbreekt omdat daar niemand is. Dat is inderdaad het grootste probleem in de buitenwijken: verwaarlozing. De ouders gaan naar de stad om te werken en laten de kinderen aan hun lot over. Of ze sturen hun kind naar een oma of tante in de stad om daar te gaan wonen. Maar zo voelen die kinderen zich in de steek gelaten.
Kinderarbeid is lastig tegen te gaan. Het grootste obstakel zijn de lage inkomsten van de ouders, die ook al ver onder het Boliviaanse minimumloon (225 euro per maand) liggen. Zolang de regering er niet voor zorgt dat ouders een waardig loon verdienen waarmee ze hun gezinnen kunnen onderhouden, zullen kinderen de straat blijven opgaan om te werken.
Maar er is een lichtpunt: anders dan vroeger is het aantal schoolverlaters laag. Het helpt daarbij dat de Boliviaanse schooldagenn met hun vier uur per dag kort zijn, zodat de kinderen tijd overhouden om te werken. Bovendien geeft de regering elk kind een klein geldbedrag wanneer het overgaat naar het volgend jaar. Veel is het niet, maar het motiveert de kinderen om hun school af te maken.