Aan cacao is tot op de dag van vandaag een heilzame werking toegeschreven, die nochtans niet door de wetenschap wordt gestaafd. Bitter in de mond maakt het hart gezond, zo luidt niettemin een oud gezegde. Misschien komt dat door een overlevering over de Azteekse keizer Montezuma uit 1519, die een stimulerende, schuimende massa zou gedronken hebben die van cacao was gemaakt en die als afrodisiacum werkte.
Naar verluidt zouden de Azteken de chocolade (kakaw) koud drinken en gaven de Maya's de voorkeur aan een warme versie. Aan de massa voegde men een beetje water toe en verder bloemen, honing of specerijen zoals chilipeper.
De cacaobonen werden naar Spanje gebracht door Hernán Cortés. Rond 1580 ontstonden daar de eerste cacaofabrieken en zeventig jaar later breidde de handel zich uit naar Italië, Frankrijk en Engeland. Eind 17de eeuw openden in Engeland speciale cacaohuizen hun deuren, waar de cacao werd bereid met melk. Het was een chique aangelegenheid waarbij speciaal servies op tafel kwam. Vergelijk het met barista's die nu koffies serveren in hippe zaken.
Cacaofabrikant Casparus van Houten was een perfectionist. Geregeld brak hij zijn hoofd over de kwaliteit van zijn waar. Zijn chocoladekoekjes waren lekker, ook al lagen ze behoorlijk zwaar op de maag door het vetgehalte van de chocola. In zijn zaak in Amsterdam lengde hij de gemalen cacaoboonmassa aan met water en zo werd van een dik stroperig geheel een lekker drankje gemaakt. Maar op de bodem lagen grove kruimels en er zat een dikke vetlaag op de substantie. Vet lost immers niet op in water.
Samen met zijn zoon ontwikkelde hij een hydraulische pers, een gouden vondst. Door de cacaoboter eruit te halen, kon je een fijn cacaopoeder vervaardigen. Het werkte zo goed dat hij in 1828 van de koning een octrooi kreeg en zo werd chocolade een product voor alle rangen en standen.
Slavenhandel en cacao gaan al eeuwen hand in hand. Nederlandse fabrikanten introduceerden in de 17de en 18de eeuw cacao op plantages in Suriname en Indonesië, waar ook katoen, koffie, suiker of tabak geteeld werd. Voor de meeste van de 125 plantages was cacao een lucratief bijgewas. Voor de teelt van deze en andere gewassen werden zeker tweehonderdduizend mensen in Afrika tot slaaf gemaakt en naar Suriname overgebracht.
Slavenhandelaar Willem Bosman beschreef eind 17de eeuw aan zijn neef hoe hij te werk ging in Fort Elmina, het beruchte slavenfort in Ghana. Bosman was in dienst van de West-Indische Compagnie. Er werden geen mensen aangenomen boven de 35. Wie verminkt was aan arm of been, wie een tand kwijt was, grijs haar of een vlies over de ogen had, kwam eveneens niet in aanmerking. Nederlanders trokken niet zelf de binnenlanden in, Afrikaanse handelaren voerden continu potentiële slaven aan. Alleen in Ghana al waren er 63 slavenmarkten. Eenmaal aan boord naar Suriname lagen de mannen apart van de vrouwen.
In Suriname belandden de overlevenden opnieuw op de markt. Daar wachtte het merendeel werk op de plantages, met werkweken van honderd uur, soms in de brandende zon. Sommigen probeerden daaraan te ontsnappen, met vreselijke straffen tot gevolg.
Tot op de dag van vandaag bestaat dit verband tussen cacaoteelt en slavernij: volgens Tony's Chocolonely zijn zo'n 90 duizend mensen gedwongen werkzaam op plantages in West-Afrika, onder wie veel kinderen.
Begin 2017 daalde de cacaoprijs met 36 procent door overproductie in Ivoorkust, blijkt uit de tweejaarlijkse Cacaobarometer. De markt stortte in, de cacaoboeren kregen nog minder voor hun product. De prijs in de winkel bleef gelijk, waardoor de grote cacaofabrikanten er weer goed uitkwamen.
En wat is nu eigenlijk een eerlijke prijs voor cacao? True Price, een Nederlandse organisatie van wetenschapers en bedrijfskundigen, brengt in kaart wat de werkelijke prijs van producten zou zijn als je het effect van de productie op mens en natuur meerekent. Uit hun onderzoek blijkt dat de prijs van chocoladerepen minstens 30 procent hoger zou moeten liggen dan nu het geval is.
In 2008 organiseerde de regering van Ivoorkust eveneens een telling om duidelijker in beeld te krijgen wie wel en wie niet cacaoboer was, om een lijst van cacaocoöperaties op te stellen en de sector beter te reguleren. Maar de onderneming eindigde in een fiasco.
90 procent van de cacaoboeren in Ivoorkust zijn kleine boeren. Door hun beperkte grootte kunnen slechts enkelen genoeg inkomen genereren om boven de armoedegrens uit te komen: 1800 euro per jaar bijvoorbeeld is niet genoeg om fatsoenlijk te kunnen leven. Volgens de living income benchmark, een graadmeter voor een leefbaar inkomen, zou dat zeker 2,5 keer zoveel moeten zijn. Daarom doen veel boeren ook ander werk ernaast.
Over het algemeen blijft het zoeken naar evenwicht tussen enerzijds het behoud van het regenwoud en de biodiversiteit en anderzijds de uitbreiding van landbouwbedrijven problematisch. Veel boeren zijn niet voorbereid op klimaatverandering, worstelen met de strijd tegen boomziektes of het lukt hen niet om voldoende opbrengst te hebben. Met als gevolg dat velen van hen overstappen op de teelt van oliepalmen en andere gewassen die veel geld opleveren. Het ziet er al bij al somber uit voor de reputatie van Ivoorkunst als 's werelds beste cacaobonenteler.
Een voorbeeld van wederzijdse collectieve hulp en solidariteit tussen boeren is het peer-to-peer spaarsysteem, Tontine genaamd. Leden dragen een vast bedrag bij aan een gemeenschapschappelijke pot en ontvangen om de beurt de opbrengst. Het model kan worden aangepast aan de behoeften van de deelnemers. Het ingezamelde geld kan niet worden gebruikt om grootschalige projecten te financieren of land aan te schaffen. Het kan de armoede niet bestrijden, maar dient als een soort verzekering in noodgevallen, o.m. bij het dekken van onverwachte medische kosten. Slechte een paar boeren kunnen geld sparen. De overgrote meerderheid ontbreekt het aan economische veerkracht. Zij lenen geld voor hun dagelijkse kosten en raken verstrikt in een vicieuze cirkel van schulden.
Kinderarbeid
Weinig of geen boeren nemen ooit hun toevlucht tot kinderarbeid. In de sector hebben heel wat positieve ontwikkelingen plaatsgevonden. De gewoonte om kinderen tussen 8 en 16 jaar illegaal de velden te laten opruimen, de peulen te laten oogsten en de zware zakken met cacaobonen te laten tillen, begint te verdwijnen. Die werkwijze is drastisch afgenomen dankzij een bewustwordingscampagne die werd gesponsord door de regering van Ivoorkust en enkele grote cacaobedrijven. Ook heeft de cacaocommissie kinderhandelaren en boeren met kinderen in dienst opgespoord en eventueel in hechtenis genomen.
Er bestaat ook een onderwijs- en gezondheidszorgproject van de overheid voor cacaoboeren, maar dat wordt niet bijster geapprecieerd. De regering heeft een studiebeurs in het leven geroepen om de kinderen van cacaoboeren onderwijs te bieden, maar volgens de verhalen kan lang niet iedereen daarvan gebruikmaken. Die beurzen worden vaak verhandeld en komen terecht bij niet-cacaoboeren. En als degenen die dit doen al gepakt worden, worden ze bijna nooit volgens de wet berecht.
Veel klaslokalen in de cacaogebieden zijn verlaten. In vergeefse afwachting van leraren, tafels en stoelen zijn de boeren de lege ruimten gaan gebuiken voor opslag en anderen doeleinden. Het gebeurt vaak dat midden in het bos een school wordt opgetrokken, maar dat het bouwproces niet wordt voltooid. De gemeenschap heeft er niks aan, maar de initiatiefnemers pronken ermee: ze doen zogenaamd hun best om het leven van de boeren te verbeteren. De nalatigheid en loze beloften van de regering leiden tot wantrouwen bij de boeren.
Fair trade
Dankzij premies en het respecteren van de minimumprijs kunnen boeren gereedschap en een deel van hun werkkleding vervangen. Van de premies voor gecertificeerde bonen kunnen ze een beter TV of een zonne-energiesysteem kopen. Zo zijn ze nu verbonden met de wereld. Op het verlanglijste: een koelkast om voedselverspilling tegen te kunnen gaan. Of nog electriciteit voor het hele dorp.
Maar het is wel zo dat organisaties voor eerlijke handel alleen iets kunnen blijven betekenen wanneer het beleid van de coöperaties op punt gesteld wordt. Er is coorlopig nog te veel laksheid en zelfgenoegzaamheid van grootafnemers, hun partners en de multinationals. Organisaties voor eerlijke handel certificeren doorgaans alleen coöperaties, geen individuele boeren. En die coöperaties zijn zo dominant in de markt dat kleine boeren weinig keuze hebben: ze moeten zich wel aansluiten. Leden zouden de macht moeten hebben om de leiding van hun coöperatie aan te spreken op slecht gedrag, maar in de praktijk durven de boeren dat vaak niet.
Superboom
Waar de meeste cacaoplantages in Ecuador een monocultuur zijn, werkt de familie Borja volgens de agroforestry-methode: de boer bootst de natuurlijke situatie zoveel mogelijk na, met naast verschillende soorten cacaobomen ook hoge bomen voor schaduw en fruitbomen voor meer diversiteit en extra inkomsten.
Ecuador heeft door zijn ligging en klimaat een zeer rijke biodiversiteit. Dat maakt het een gunstige plek voor cacao: de cacaoboom van het ras Arriba is de nationale trots. Maar aanhoudende schimmelinfecties hebben ertoe geleid dat boeren massaal zijn overgestapt op de sterke superboom CCN-51, met als gevolg dat er een monocultuur ontstond. Dat leidde weer tot erosie en verminderde bodemkwaliteit.
Om die reden verdiepte een deel van de boeren zich in agroforestry. De coöperatie UNOCACE, een samenwerkingsverband van 1172 kleine boeren, traint haar leden in de methode en voorziet hen van de verschillende bomen. Ook brengen ze de Arriba-boom terug: in een gezonder systeem zou die beter bestand zijn tegen ziektes.
Cacaobarometer
Solidaridad heeft samen met andere maatschappelijke organisaties de nieuwe Cacao Barometer gepubliceerd. Wat blijkt? De productie van cacao is nog steeds verre van duurzaam. Bijna alle West-Afrikaanse cacaoboeren zijn arm, kinderarbeid is wijdverbreid en er verdwijnen veel bossen door cacaoteelt. In de Cacao Barometer staat wat er misgaat, en nog belangrijker: hoe het beter kan!
Bedrijven en overheden hebben de afgelopen 20 jaar veel maatregelen genomen om het leven van cacaoboeren te verbeteren. Echter, steeds opnieuw blijkt dat deze pogingen nog te weinig hebben opgeleverd. Wat gaat er mis?
Zelfs in 2020 krijgen boeren nog steeds een te lage prijs voor hun cacao. Ze zijn daarom erg arm en hebben geen geld om hun cacao duurzaam te verbouwen. Bedrijven maken wel veel afspraken om cacao duurzamer te maken, maar helaas gebeurt dat op vrijwillige basis. Er zijn geen consequenties als bedrijven de afspraken niet nakomen. Boeren moeten op hun beurt wel voldoen aan hoge duurzaamheidseisen, anders verliezen ze hun certificering. Het is bedenkelijk dat de zwaarste lasten op de zwakste schouders liggen.
Bedrijven maken verder alleen onderling afspraken over verduurzaming, boeren zijn niet uitgenodigd om mee te beslissen. Ook overheden nodigen geen boeren uit om mee te denken over goed duurzaamheidsbeleid. De belangen van boeren worden zo niet goed behartigd.
Ondertussen blijven de boeren gewoon boeren, ondanks de armoede. Het is dan ook bijzonder moeilijk voor hen om zomaar van business te veranderen. Wie de cacaosector al een tijdje volgt, zou wanhopig worden van die hardnekkige problemen. De voorbije jaren wilden de grote spelers in de sector overheden en consumenten doen geloven dat het probleem bij de boeren lag. Wanneer die betere en meer efficiënte productietechnieken zouden hanteren, zou het helemaal goed komen met dat armoedeprobleem. Maar dat klopt helemaal niet: wnneer je zo'n systemisch probleem hebt, volstaan technische snufjes niet. Boeren willen namelijk wel investeren, maar ze doen het niet omdat de risico's te groot zijn. Ze hebben -door de manifest lage cacaoprijzen die bedrijven betalen- immers geen financieel vangnet. Zo geven de meeste bedrijven hen zo goed als geen prijsgaranties.
De cacaoboeren zitten vast in de rol van verliezers. Ze doen wat van hen verwacht wordt, namelijk cacao produceren aan een zielige prijs. Maar vergeet niet dat die boeren de basis én de brandstof zijn van een florerende, miljardensector die draait op goedkope grondstofprijzen.
Dankzij lobby en campagnes van Solidaridad en andere maatschappelijke organisaties zijn bedrijven zich bewuster geworden van de problemen. Grote chocolade-multinationals vragen de afgelopen 2 jaar dan ook steeds vaker om Europese wetgeving voor de verduurzaming van de cacaosector. Ook heeft de Europese Unie zich voorgenomen wetgeving te maken die bedrijven aanzet om hun producten mens- en milieuvriendelijk in te kopen.
Daarnaast heeft West-Afrika zelf actie ondernomen om de boeren te beschermen. De 2 grootste cacaoproducenten Ghana en Ivoorkust werken samen om de prijs die cacaoboeren krijgen voor hun cacao op te drijven.
Boeren moeten een veel hogere prijs krijgen voor hun cacao. Een prijs waarvan zij goed kunnen leven. Zo krijgen ze een beter leven en kunnen ze hun cacao duurzamer verbouwen. Hiervoor moet de waarde in de hele keten, van boer tot bedrijf, eerlijker worden verdeeld. Alleen dan kunnen boeren een leefbaar inkomen verdienen.
Na 20 jaar van gefaalde interventies in de cacaosector, is de nood aan een leefbaar inkomen doorgedrongen tot bijna alle actoren: overheden, handelaars en chocoladebedrijven. In 2018 ondertekende de Belgische chocoladesector een engagement om cacaoboeren aan een leefbaar inkomen te helpen tegen 2030. Het recht op een leefbaar inkomen moet immers een fundament zijn voor een sector die komaf wil maken met structurele problemen. Want wanneer je net genoeg verdient om te overleven en enkel het broodnodige weet te bekostigen, zoals voeding, dan zijn het milieu en onderwijs het minste van je zorgen. Gewoonlijk verdient een cacaoboer ongeveer een derde van wat hij nodig heeft om waardig te leven. Om de kloof tot aan een leefbaar inkomen te overbruggen is een inspanning van iedere betrokkene nodig: bedrijven moeten hogere prijzen betalen, overheden moeten investeren in de lokale economie, coöperaties moeten ademruimte krijgen om zich uit te bouwen tot professionele organisaties...
De overheden van Ghana en Ivoorkust namen recent een belangrijke eerste stap. In 2019 zetten ze een soort kartel op om hogere prijzen af te dwingen bij de multinationals. Dankzij die ingreep ging de cacaoprijs -ondanks de covid-crisis- er voor de cacaoboeren zelfs omhoog. Het is een sprekend voorbeeld van een beleid dat financiële ademruimte geeft aan boeren. Maar het volstaat helaas nog niet om een leefbaar inkomen mogelijk te maken.
In 2020-2021 was het Oxfam-project Bite to Fight een experiment van systeemverandering op kleine schaal. Oxfam Fair Trade betaalt een fors hogere prijs voor deze cacao: een prijs die boeren in staat moeten stellen om een leefbaar inkomen te verwerven. Daarnaast zorgt hun Ivoriaanse partnercoöperatie voor technische bijstand op maat alsook de versterking vrouwengroepen.
Het mooie aan het experiment is dat de grote prijsverhoging voor de boeren amper voelbaar is voor de consument. Het leidt slechts tot een minimale prijsverhoging van de Bite to Fight-chocolade die je kan kopen in de wereldwinkel.
De impact op het inkomen van boeren wordt nauwgezet opgevolgd. En wanneer kan men echt van impact spreken? Als ook andere bedrijven hun ethische kanonnen bovenhalen en hun voorbeeld volgen!