| Gelijkheid? |
|
De Gini-coëfficiënt wordt meestal gebruikt om de inkomens- of welvaartsongelijkheid te meten, maar hij is eigenlijk geschikt om elke vorm van oneffen spreiding te meten. De coëfficiënt werd ontwikkeld door de Italiaanse statisticus Corrado Gini. De Gini-coëfficiënt is een getal tussen 0 en 1. 0 verwijst hierbij naar de "perfecte gelijkheid" (voor iedereen hetzelfde inkomen) en 1 naar de "perfecte ongelijkheid" (voor één persoon alle inkomen en voor alle anderen niets). De Gini-Index is de Gini-coëfficiënt uitgedrukt in een percentage en is gelijk aan de Gini-coëfficiënt vermenigvuldigd met 100: zo geeft coëfficiënt 0,6 een percentage (en dus een index) van 60. Gini-coëfficiënt van de 10 best gerangschikte landen in 2004, berekend door de VN, met tussen haakjes de gewijzigde waarde voor 2020.
(0,244) Hongarije (0,297) (0,247) Denemarken (0, 275) (0,249) Japan (0,250) Zweden (0,289) (0,250) België (0,260) (0,254) Tsjechië (0,262) (0,258) Noorwegen (0,277) (0,258) Slowakije (0,232) (0,262) Bosnië-Herzegovina (0,268) Oezbekistan Hier vind je een volledig overzicht. Eigenaardig: sommige landen uit de voormalige communistische dictatuur, zoals Rusland (0,456), hebben een Gini-cöefficiënt die ongeveer op hetzelfde niveau ligt als die van een uitgesproken kapitalistisch land, zoals de Verenigde Staten (0,408). De meeste Europese landen hebben daarentegen lage Gini-coëfficiënten, mede door een hoge inkomens- en erfenisbelasting en een uitgebreide sociale zekerheid. De Gini-coëfficiënt omvat in feite een combinatie van welvaart en compensatiebeleid. |