Het Europese grondstoffenbeleid
Eind juni keurde de commissie voor industrie, onderzoek en energie van het Europees Parlement een rapport over het Europees grondstoffenbeleid goed. Broederlijk Delen vreest echter dat het beleid ten koste zal gaan van ontwikkelingsdoelstellingen en roept de europarlementairen op om waakzaam te zijn.
Ertsen zoals koper, ijzer, kobalt en coltan zijn onontbeerlijk voor de Europese industrie. Omdat vele ervan niet (meer) te vinden zijn in Europa, zijn we afhankelijk van de invoer uit grondstofrijke landen zoals Congo, Zuid-Afrika en Peru. Ondertussen stijgt ook in de economische groeilanden zoals Brazilië en China de vraag naar grondstoffen. Te midden van deze groeiende concurrentie wil de Europese Unie de aanvoer van een aantal kritische ertsen veiligstellen. We moeten alleszins efficiënter met grondstoffen omgaan want ze worden schaarser en dus duurder. De industrie zal daarom verplicht worden om jaarlijks minder grondstoffen te gebruiken en ze eerder te recyclen.
De Europese Raad keurde daarom in maart een hernieuwd grondstoffenbeleid goed met als doelstelling de toegang tot grondstoffen in andere landen te verzekeren. In feite zouden ontwikkelingslanden zelf moeten kunnen kiezen hoe ze hun grondstoffen aanwenden voor hun ontwikkeling, in plaats van verplicht te worden ze ruw te exporteren.
Verder moet de EU rekening houden met welke soort ertsen er geïmporteerd worden. Soms gebeurt de ontginning van mineralen immers in ondermaatse sociale omstandigheden, richt ze onherstelbare milieuschade aan of ligt ze aan de basis van mensenrechtenschendingen. In andere gevallen komen de ertsen regelrecht uit oorlogsgebieden, zoals tantalum uit Oost-Congo. Een Europees grondstoffenbeleid moet dus ook verplichte normen opleggen voor de aankoop van mineralen en voor de werking van Europese bedrijven in het buitenland. Vrijblijvende initiatieven, zoals het beleid nu voorstelt, zijn ontoereikend.
Ook de beloofde investering in ontwikkelingssamenwerking rond het beheer van grondstoffen in het Zuiden biedt geen garantie dat economische belangen niet zullen primeren in deze nieuwe grondstoffendiplomatie. Volgens het Verdrag van Lissabon zou het Europees grondstoffenbeleid de ontwikkelingsdoelstellingen niet in het gedrang mogen brengen.
Afrika bezit 30% van de wereldreserves en haalt meer dan 60 verschillende mineralen en metalen uit de grond. Hiermee hebben de Afrikanen de eerste vijftig jaar een belangrijke troef in handen om zich economisch te ontwikkelen. Maar het door de EU gevoerde beleid ontneemt Afrika het recht om te profiteren van haar eigen bodemschatten.
Het grootste kritiekpunt op het Europese grondstoffenbeleid is de incoherentie tussen het Europees ontwikkelingsbeleid en het Europese grondstoffenbeleid. De EU eist vrije toegang tot Afrika's grondstoffen. Dit betekent dat Afrikaanse landen alle exportbelemmeringen zullen moeten afschaffen. Echter, deze belemmeringen zijn cruciaal voor het opzetten van een eigen verwerkende industrie. De hele situatie druist trouwens in tegen het Europese ontwikkelingsbeleid om duurzaam Afrikaans beheer van grondstoffen te ondersteunen. Ook eist de EU dat exportbelastingen op grondstoffen worden verlaagd of afgeschaft. Hierdoor lopen Afrikaanse overheden miljarden aan inkomsten mis die nodig zijn om de armoede in hun land terug te dringen. Tot slot zou de EU zich meer moeten inzetten om de negatieve impact van mijnbouw in Afrika tegen te gaan door o.a. een veel strenger invoerbeleid te hanteren, zoals eerder al gebeurde voor illegaal gekapt hout en bloeddiamanten. Nu wordt de Afrikaanse bevolking dagelijks geconfronteerd met de verwoestende impact van mijnbouw.
Met de opkomst van de snel industrialiserende BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India en China) is de vraag naar grondstoffen in de afgelopen tien jaar sterk toegenomen. Hoewel er op dit moment nog geen sprake is van schaarste, is dit wel een aannemelijke dreiging in de toekomst. Ook de recente beslissing van China om de uitvoer van zeldzame aardmetalen te beperken ten gunste van haar eigen industrie is een grote zorg voor de EU.
Het Transparantie-Initiatief voor Ontginningsindustrieën (Extractive Industries Transparency Initiative, EITI) vergroot de transparantie voor wat betreft betalingen tussen regeringen en bedrijven en inkomsten voor de gastlanden.
Na de Wereldtop over Duurzame Ontwikkeling van 2002 in Zuid-Afrika werden Ghana, Nigeria and Azerbeidzjan de eerste landen die de EITI-aanpak ondersteunden. In juni 2011 was EITI reeds in 35 grondstofrijke landen geïmplementeerd.
EITI bracht zes criteria uit voor de minimumstandaard nodig voor implementatie.
De 11 landen die deze standaard reeds bereikten, zijn: Azerbeidzjan, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Ghana, Jemen (voorlopig geschorst), Kirgizië, Liberia, Mongolië, Niger, Nigeria, Noorwegen en Timor-Leste (Oost-Timor). Vele andere landen staan momenteel op de wachtlijst.