Klimaatakkoord Parijs 2015!


Ons klimaat verandert!
De gemiddelde temperaturen in °C voor de periode 1999-2008 tegenover de gemiddelden voor de periode 1940-1980.

De inwoners van Kutubdia, een eiland ten zuiden van Bangladesh, zijn waarschijnlijk de eerste klimaatvluchtelingen. Vanwege de stijging van de zeespiegel moeten de duizenden inwoners van Kutubdia het eiland verlaten. Wetenschappers denken dat door het stijgen van de zeespiegel de komende eeuw alleen al in Zuid-Oost-Azië 75 miljoen mensen ontheemd zullen raken.

De doelstellingen van het Klimaatverdrag en het Kyoto Protocol om de emissie van broeikasgassen te beperken, kunnen nog altijd gehaald worden, maar volgens recente wetenschappelijke inzichten zijn ze onvoldoende om klimaatverandering te voorkomen. Dat geldt naar verwachting ook voor nieuwe doelstellingen waarover op dit moment wordt onderhandeld. Het is derhalve noodzakelijk voor landen om zich aan te passen aan de verandering van het klimaat, waaronder de zeespiegelstijging. Veel landen beschikken evenwel niet over de technische, economische en bestuurlijke capaciteiten om hun infrastructuur en samenlevingen tijdig op de onvermijdelijke nadelige gevolgen van een dergelijke ommezwaai voor te bereiden. Eilanden zoals de Malediven en Tuvalu (zie verder) en kustgebieden zoals Alaska en Bangladesh zullen (deels) onder de zeespiegel verdwijnen. Mogelijk zou dit reeds in de loop van deze eeuw tot een massale migratie leiden. Deze klimaatontheemden hebben echter geen recht op toegang tot andere landen. De rechtsbescherming van de mensen en de volkeren waarvan zij deel uitmaken heeft daarom een sterke rechtsbasis nodig.

De regering van de Malediven vergaderde zelfs onder water. Met die stunt wilde ze de aandacht vestigen op de stijging van de zeespiegel. Voor het oog van de camera's van de nationale televisie sprong president Mohamed Nasheed als eerste in de oceaan, gevolgd door de andere leden van de regering, allen in duikuitrusting. De president, vicepresident Mohamed Waheed en ongeveer tien ministers zaten op een diepte van zes meter onder de zeespiegel aan tafels die in een hoefijzervorm waren opgesteld. Zij riepen in een resolutie de wereld op maatregelen te nemen om de uitstoot van het broeikasgas CO² te verminderen.

Milieuorganisaties en de politieke oppositie in Australië vinden dat de regering in Canberra "klimaatvluchtelingen'' van eilanden uit de Stille Oceaan moet opnemen. Dit zijn bewoners van vooral kleine (koraal)eilanden die als gevolg van de zeespiegelstijging al deels zijn overspoeld of binnen afzienbare tijd dreigen te verdwijnen in zee. De rampen waarvan ze het slachtoffer worden, worden veroorzaakt door de opwarming van de aarde en klimaatverandering zoals droogte, woestijnvorming, zeespiegelstijging en vooral extreme weersomstandigheden zoals orkanen, tropische cyclonen, overstromingen en tornado's.
Nieuw-Zeeland en Canada nemen om die reden momenteel al inwoners van Tuvalu en Vanuatu op of ze betalen voor de verhuizing van de getroffenen naar veiliger oorden. Australië echter heeft al tweemaal geweigerd om Tuvalu de helpende hand te bieden en blijft halsstarrig weigeren om zijn verantwoordelijkheid te nemen.
In ieder geval vormen klimaatveranderingen een regelrechte bedreiging voor de regionale stabiliteit. Eilandstaatjes dreigen te verdwijnen of onleefbaar te worden en Australië dient als medeveroorzaker van het klimaatprobleem actie te ondernemen, aldus de oppositie. De minister van Milieu geeft dan wel toe dat het klimaatprobleem reëel is en onderstreept de noodzaak tot internationale samenwerking, maar anderzijds blijft hij het Australische standpunt verdedigen om geen deel uit te maken van de groep landen die het Kyoto-protocol hebben ondertekend. Met dit protocol hebben industrielanden afgesproken om de uitstoot van CO2 in de periode 2008 - 2012 gemiddeld met 5 procent te verminderen ten opzichte van het peil van 1990.

Sinds het begin van de twintigste eeuw is de gemiddelde temperatuur met ongeveer 0,74°C gestegen. Deze temperatuurstijging wordt zeer waarschijnlijk veroorzaakt door menselijke activiteiten: verbranding van fossiele brandstoffen, ontbossing en bepaalde industriële en landbouwactiviteiten hebben de concentratie aan broeikasgassen in de aardatmosfeer sterk doen stijgen sinds 1750. Modelberekeningen geven aan dat de gemiddelde temperatuur op onze planeet tegen 2100 met 1,1°C tot 6,4°C zal gestegen zijn. Stijgingen van meer dan 2°C zouden grote veranderingen met zich meebrengen voor mens en milieu, door zeespiegelstijging, toename van droogte- en hitteperioden, extreme neerslag en andere effecten.

Mensen die hun land zullen moeten verlaten en zich elders vestigen, zullen geen eigen grondgebied meer hebben. Krijgen ze asiel in het gastland of zal dat land hen eventueel een strook grond ter beschikking stellen? Het is duidelijk dat klimaatvluchtelingen, als en wanneer het er tientallen miljoenen worden, onrechtstreeks én onvrijwillig nieuwe probleemsituaties zullen veroorzaken.

Enkele jaren geleden werd in het toenmalige tijdschrift "Goedele" van Goedele Liekens reeds volop aandacht besteed aan de eilandengroep van Tuvalu. Een korte samenvatting...

De stille tsunami

De palmbomen wuiven nog op Tuvalu, maar de stranden worden steeds kleiner. Want door de opwarming van de aarde verdwijnt het derde kleinste landje ter wereld langzaam maar zeker in de golven. Tuvalu is een zinkend paradijs. (De buren uit de onafhankelijke staat Kiribati staan overigens als volgende op de lijst ...)
De laatste dertig jaar zijn de stormen intenser geworden en duren ze van januari tot april. De inwoners van Tuvalu wisten twintig jaar geleden al dat er iets aan de hand was met de natuur, maar op internationale bijeenkomsten werden ze steevast weggelachen. Global warming, dat bestaat toch niet, kregen ze te horen. Kniehoog in het water, tijdens de zoveelste overstroming, dat beeld kennen ze daar nu al meer dan genoeg. De eilanden zijn gedoemd in zee te verdwijnen en de Tuvaluanen zullen het eerste volk zijn dat zijn land, zijn territorium verliest, door de opwarming van de aarde. Maar is een land zonder land nog wel een land?
Ongeveer tegelijk met de onafhankelijkheid in 1978 begonnen ze in Tuvalu letterlijk natigheid te voelen. Er kwamen steeds frequenter overstromingen en de voorraad drinkbaar water begon langzaam maar zeker te slinken. Maar hun noodkreten werden genegeerd door de internationale gemeenschap. Intussen gaat de toestand van kwaad naar erger. In 2001 verdwenen enkele van de negen atollen een uur lang onder water. Het was de eerste keer, maar zeker niet de laatste. De eilandengroep ligt gemiddeld maar één meter boven de zeespiegel en het hoogste punt van het eiland is een door mensenhanden gemaakte hoop rommel van 4 meter. Volgens berekeningen van het IPCC (International Panel on Climate Change) duikt Tuvalu over zo'n vijftig jaar definitief kopje onder. Het IPCC verwacht dat het gemiddelde zeepeil tegen 2100 tussen de 20 en de 59 centimeter zal stijgen.
De atollen zullen echter al sneller onbewoonbaar worden: hetgeen de inwoners zorgen baart, zijn de hoogwaterstanden bij volle en wassende maan. Het steigende waterpeil in combinatie met de zogenaamde King Tides doet het water in het cycloonseizoen namelijk zo snel stijgen dat de hele archipel binnen een tiental jaren onbewoonbaar zal zijn. En dan is er nog de afbraak van de koraalriffen rond de eilanden. Die riffen beschermen de eilanden als een soort van natuurlijke golfbrekers. Zeker bij storm en hoogwater is dat levensbelangrijk. De klimaatverandering doet het warmere zeewater verzuren, door de versnelde opname van CO2 uit de atmosfeer. Dat zuurdere en warmere water beschadigt dan weer op zijn beurt de koralen, die verbleken en doodgaan.
Om de zaak extra ingewikkeld te maken: bij een atol komt het water niet alleen van rond het eiland, maar ook langs onder. Atollen zijn gevormd door koraal, die boven en rond een vulkanische basis is gegroeid. Een groot deel van de atol is eigenlijk oude koraal die als het ware op het water drijft, verankerd aan de kern van het vulkanische eiland. Een soort paddenstoel dus, waarbij de stam het onderzeese eiland is en het hoedje bovenaan de oude kalk- en koraalafzetting. Het stijgende zeewater begint nu onderaan tegen een groot deel van het eiland te drukken. En dat is dan weer nefast voor het grondwater en dus ook voor de landbouw op Tuvalu.
De gewassen die geteeld worden, worden nu langs verschillende kanten bedreigd: door de overstromingen lopen de akkers vol met zout water en gaan de planten kapot. Tegelijk worden de velden en de drinkwaterreservoirs aangevallen langs onder. De bodem van het eiland is poreus, dus sijpelt er zout water in de natuurlijke waterreserves in de bodem, waardoor het water brak wordt en de planten sterven. Het bodemwater is sinds 1998 zo verzilt dat het niet meer drinkbaar is voor mensen.
Hoe hopeloos is de situatie van Tuvalu? Is het proces onomkeerbaar? Zullen de Tuvaluanen moeten vluchten? En dan nog: waarheen?


Parijs, december 2015
In december 2015 vond in Parijs de eenentwintigste jaarlijkse klimaatconferentie van de Verenigde Naties plaats, de zogenaamde COP21 (Conference of Parties 21). Hierbij kwamen alle partijen die deel uitmaken van het UNFCCC, het klimaatverdrag van de Verenigde Naties, bijeen.
De klimaattop werd cruciaal in de strijd tegen de opwarming van de aarde. Er diende een nieuw verdrag ondertekend te worden dat in 2020 van kracht kan worden.
De emissie van koolstofdioxide (CO2) is de grote boosdoener van de klimaatopwarming. Met de huidige stijgende emissie stevent de wereld af op een opwarming van de aarde met 3,6°. Parijs zou wel eens de laatste kans kunnen zijn, voor iedereen, om een wereld te hebben die min of meer gelijk is aan de wereld die we nu kennen.
De opwarming moet begrensd worden tot maximaal 2 graden, een doelstelling opgenomen in het Kopenhagen-akkoord. Die opwarming met 2 graden komt overeen met een ‘budget’ van 2.300 gigaton C02 dat uitgestoten mag worden. Ligt de uitstoot lager, dan blijft het leven min of meer bij het oude. Ligt die hoger, dan komt de wereld “in problemen”. Maar ... de helft van dat budget is in de periode 1900-2012 al opgebruikt. Zonder nieuwe klimaatinspanningen zal in 2040 het volledige budget opgesoupeerd zijn en is 2 graden niet langer haalbaar. In ieder geval moet de uitstoot in 2100 teruggebracht zijn tot op het niveau van 1990.
De klimaatconferentie in Lima eind 2014 bracht bitter weinig resultaten op -net zo weinig als bij vorige conferenties en vergaderingen allerhande, zoals Kyoto 1997, Durban 2011 of Doha 2012. Overigens wordt in 2016 opnieuw vergaderd in Marrakech.

Ook al zijn het klimaatverdrag en het Kyoto-protocol wereldwijd door vele landen ondertekend, toch is er felle kritiek op. Het verdrag zou niet ver genoeg gaan om klimaatverandering tegen te gaan en ook zouden bepaalde vooropgestelde doelen niet echt logisch zijn. Anderen vinden de doelen juist te ver gaan, iets wat dan weer zou leiden tot ongewenste afname van de economische groei.
Inderdaad zijn de verschillende overeenkomsten vaak voorzichtig en bestaan er grote verschillen tussen wat partijen als de EU en de VS willen tegenover bijvoorbeeld China.
Het klimaatverdrag trad in werking op 21 maart 1994. Sinds die tijd hebben bijna alle lidstaten van de Verenigde Naties het verdrag ondertekend en bekrachtigd (ratificatie). Op dit moment hebben 196 landen, waaronder België en Nederland, het klimaatverdrag geratificeerd.
Het verdrag definieert een internationaal raamwerk waarbinnen regeringen gezamenlijk acties kunnen ondernemen om de uitdagingen van het veranderend klimaat op aarde te kunnen pareren. Het erkent tevens de internationale verantwoordelijkheid voor het klimaat en tracht ongewenste beïnvloeding door menselijk handelen te voorkomen.
De concrete doelstelling is: "het stabiliseren van de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer op een zodanig niveau dat een gevaarlijke menselijke invloed op het klimaat wordt voorkomen".

De partijen bij het klimaatverdrag vormen twee groepen van landen.
Enerzijds zijn er de geïndustrialiseerde landen zoals vermeld in Annex I van het verdrag. Deze zogenaamde Annex I-landen vallen samen met de leden van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Anderzijds zijn er de ontwikkelingslanden of niet-Annex I-landen, m.a.w. alle andere landen die het klimaatverdrag hebben geratificeerd.
De Annex I-landen zijn kwantitatieve verplichtingen aangegaan onder het Klimaatverdrag. Zij hebben afgesproken hun uitstoot van broeikasgassen spectaculair (!) te verminderen. Ze gingen bovendien de verplichting aan hun emissies jaarlijks aan het secretariaat van de UNFCCC te rapporteren. Door deze rapportages kunnen de partijen bij het klimaatverdrag de voortgang van de afspraken uit het verdrag en de daarbij behorende protocollen (Kyoto-protocol) volgen.
Binnen de Annex I-landen heeft een aantal landen, de zogenaamde Annex II-landen, zich verplicht financiële ondersteuning te verlenen aan de ontwikkelingslanden. Daarentegen hoeven niet-Annex I-landen geen emissiereducties door te voeren.

Het belangrijkste besluitvormend orgaan binnen het verdrag is de "Conferentie van Partijen" (Engels: Conference of Parties", COP), waarin alle partijen jaarlijks overleggen over de voortgang van het werk onder de conventie. De COP is verantwoordelijk voor het op stoom houden van de internationale activiteiten om de ongewenste gevolgen van klimaatverandering te voorkomen.

De eerste reacties in Parijs op het definitieve klimaatakkoord waren positief. Het is een doorbraak dat de internationale gemeenschap voor het eerst afspraken maakt over klimaatverandering, klonk het. Negatief is volgens velen dat de concrete maatregelen niet ver genoeg gaan en er te weinig financiële steun is voor arme en kwetsbare landen die nu al kampen met de opwarming.
De tekst noemt als belangrijkste doelstelling dat de opwarming beperkt moet blijven tot ruim beneden 2 graden in 2100: 1,5° is trouwens de limiet die cruciaal is voor poolgebieden, koraalriffen en bewoners van laagliggende eilanden en kuststreken.
Vager is de tekst over wat dit impliceert, namelijk een snelle afbouw van het gebruik van fossiele brandstoffen en een overgang naar 100% duurzame energie voor 2050.
Een probleem van het klimaatakkoord is dat het gebaseerd is op de vrijwillige klimaatplannen (INDC's) die landen hebben ingediend. Die leiden nu opgeteld tot een temperatuurstijging van zeker 2,7°. Belangrijk is daarom dat de tekst vastlegt dat deze klimaatplannen elke vijf jaar zullen worden geëvalueerd en bijgesteld om de doelstelling uiteindelijk toch te halen. Het akkoord is wel een duidelijk signaal aan het bedrijfsleven en de beleggers dat het tijdperk van fossiele brandstoffen afloopt en de toekomst is aan hernieuwbare energie.

Het akkoord voorziet erin dat de ontwikkelde landen vanaf 2020 zeker 100 miljard dollar per jaar betalen, een bedrag dat kan oplopen. Rond het omstreden thema van 'loss and damage', over steun voor klimaatschade waaraan arme landen zich niet meer kunnen aanpassen, is een harde strijd gevoerd. De ontwikkelingslanden hebben alleszins gedaan gekregen dat de term voor het eerst in een klimaatakkoord wordt geïntroduceerd. Daarentegen staat dan weer dat de rijke landen een bepaling lieten opnemen dat deze erkenning nooit kan leiden tot juridische aansprakelijkheid en/of financiële compensatie.
 
En wat doet België?
Binnen dat akkoord moet elk land de komende jaren een ambitieus klimaatbeleid voeren. Maar hoe is het eigenlijk gesteld met ons Belgisch klimaatbeleid?
In België hebben we niet minder dan vier klimaatministers, maar toch hebben we nog altijd geen nationaal klimaatbeleid. Na zes jaar onderhandelen tussen de gewesten en het federale niveau wachten we namelijk nog steeds op een Belgisch akkoord dat bepaalt wie welk aandeel in de klimaatinspanning voor 2020 moet leveren. Onvoorstelbaar!
Al in 2009 werd het eerste Europese actieplan voor klimaat en energie goedgekeurd, met drie doelstellingen tegen 2020. Voor België zijn die ten eerste 15% minder broeikasgassen uitstoten dan in 1990, ten tweede 13% van onze energie uit hernieuwbare bronnen halen, en tot slot 20% minder energie verbruiken. Toen was dit plan behoorlijk vooruitstrevend, maar het was lang niet voldoende om een eerlijke Europese bijdrage aan de strijd tegen klimaatverandering te leveren.
Intussen werd al een nieuw Europees plan goedgekeurd met 2030 als horizon, maar ondertussen struikelen onze vier minsters nog altijd over een Belgische aanpak tegen 2020. Greenpeace vraagt zich terecht af of ze er wel in geloven: ze moeten niet alleen de inspanningen tussen de regio's verdelen, maar ook de inkomsten uit de handel in uitstootrechten. Maar na zes jaar staan ze nog geen stap verder. Het probleem is dat klimaatactie nog te veel gezien wordt als een last in plaats van een kans.
Nog in 2015 schoefde Wallonië haar ambities voor hernieuwbare energie tegen 2020 terug. En de Vlaamse regering verkiest 'schone lucht' in het buitenland aan te kopen in plaats van de uitstoot hier voldoende te doen dalen. Kortom, er is geen enkele overkoepelende visie.
Als gevolg van deze politieke omwil daalt onze uitstoot veel te traag. Ons land werd al door Europa op de vingers getikt omdat we de Europese doelstellingen voor 2020 dreigen te missen. De wetenschap is nochtans duidelijk: tegen 2050 moeten we als geïndustrialiseerd land maar liefst 80-95% minder CO2 uitstoten. Door het probleem voor ons uit te blijven schuiven wordt de kost voor het behalen van die doelstelling steeds groter. Maar niet alleen onze eigen uitstoot is afhankelijk van een Belgisch klimaatakkoord. Door de politieke patstelling draagt ons land ook amper bij aan het Groen Klimaatfonds van de Verenigde Naties. Dit fonds moet landen in ontwikkeling financieel ondersteunen, zodat ook zij zich kunnen wapenen tegen het veranderende klimaat en hun economie op een duurzame manier kunnen ontwikkelen. Het nakomen van de geldbeloftes voor dit fonds is bovendien een belangrijke voorwaarde voor het vertrouwen tussen armere en rijkere landen in de internationale klimaatonderhandelingen.
Meer en meer mensen zijn deze impasse beu: 7 op 10 Belgen vindt dat ons land faalt in de aanpakt van de klimaatverandering en bijna 9 op 10 pleit voor meer overheidssteun aan intiatieven voor hernieuwbare energie. Bijna 9000 burgers daagden de vier Belgische overheden zelfs voor de rechter omdat ze er niet in slagen een ambiteus klimaatbeleid op poten te zetten.