vlag Irak I R A K Wikipedia Landenweb
Opp.: 438.317 km² (14 x België)    Inw.: 27,5 miljoen (2007)   (63 inw./km²)    Regeringsvorm: federale republiek    Hoofdstad: Bagdad   Religie: islam

locatie Irak Irak

Er zijn vier landschappen te onderscheiden:
het heuvel- en bergachtige noorden (Koerdisch gebied), met veel rivieren en een vruchtbare bodem;
een steppegebied in het noordwesten, tussen de Eufraat en de Tigris;
het dichtbevolkte gebied aan de benedenloop van Eufraat en Tigris, ruwweg tussen Bagdad en de Perzische Golf;
de woestijnen en steppewoestijnen in het westen en het zuiden.
De zomers zijn zeer heet en droog, met temperaturen tot 50°C. De meeste neerslag valt 's winters, vooral in het noorden.

Politiek
In 1979 werd Saddam Hoessein de machtigste man binnen de Ba'ath-partij en daarmee van het land. Zijn regime maakte een hardhandig einde aan alle politieke oppositie en voerde een waar schrikbewind.
Irak voerde een zeven jaar durende en zeer bloedige oorlog met buurland Iran. Gelijktijdig met de oorlog vond ook de al-Anfal-campagne plaats, waarbij Koerden gedwongen werden te verhuizen om plaats te maken voor Arabieren. De aanval op het plaatsje Halabja was hier een onderdeel van.
Op 2 augustus 1990 viel Irak het veel kleinere buurland Koeweit binnen en bezette het: het begin de Golfoorlog van 1990-1991. Koeweit werd in 1991 door een internationale coalitie bevrijd in een operatie met de naam Desert Storm. Het luchtruim in het noorden en het zuiden van Irak werd daarna overgenomen door de VS, Frankrijk en Engeland, volgens deze landen als uitvloeisel van VN-resolutie 688.
In 2003 werd Hoessein verdreven na een aanval van een internationale coalitie onder leiding van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Vanaf 1 mei werd in Irak een stabilisatiemacht geïnstalleerd.
Op 28 juni 2004 werd de macht overgedragen aan een interimregering, die voortdurend werd tegengewerkt door diverse groepen van opstandelingen in Irak.
De verkiezingen van begin 2005 werden gewonnen door een sjiitische partij, maar zij behaalden geen absolute meerderheid en moesten dus een coalitie vormen met andere partijen. De belangrijkste posten werden langs etnische lijnen verdeeld. Jalal Talabani (Koerd) werd president, Ibrahim Jaafari (sjiiet) werd premier en een soenniet werd voorzitter van het parlement. Een speciaal comité stelde een grondwet op, die in oktober 2005 in een referendum werd aangenomen.
Een bomaanslag op de Gouden Moskee in Samarra op 22 februari 2006 leidde tot hevig geweld. Op 20 mei 2006 werd de nieuwe regering gepresenteerd, met Nouri Maliki als premier.
Volgens de VN zijn er in 2006 in Irak meer dan 34.000 burgers door geweld omgekomen.

De Koerden in Irak hebben een lange geschiedenis van onderdrukking. Zo werden ze na de oorlog tussen Iran en Irak het slachtoffer van een ongekende repressie, waarbij onder meer chemische wapens werden ingezet. Na de Golfoorlog van 1991 braken er binnenlandse onlusten uit. De opstanden werden hardhandig onderdrukt, gevolgd door een campagne van hevige repressie die meer dan een miljoen Koerden dwong te vluchten naar Turkije en Iran.
Sinds de terugtrekking, in oktober 1991, van Iraakse troepen uit de noordelijke provincies is dit gebied feitelijk onder controle van twee rivaliserende Koerdische partijen: de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK) en de Koerdische Democratische partij (KDP).
Deze situatie is uiteraard een bron van geweldplegingen, schendingen van mensenrechten, ontvoeringen, enz.
Ook de (nieuwe) Iraakse wetten bieden nauwelijks garanties voor de bescherming van de mensenrechten.

De maatregelen tegen de Baath-partij van de voormalige dictator blijven een heikele zaak. De soennieten bevinden zich daardoor in een dubbelzinnige positie en wantrouwen om begrijpelijke redenen het democratiseringsproces. De nieuwe machtshebbers hebben zich immers voorgenomen het land volledig te zuiveren van de restanten van het gehate regime en dus schijnt over alle voormalige Baath-functionarissen een kwalijk daglicht. Het liefst zouden de sjiieten en de Koerden hen uit alle belangrijke functies werpen. Begrijpelijlk is dat wel, maar niet bepaald constructief. Want moet niet iedereen in het nieuwe Irak gelijke kansen en dezelfde rechten krijgen?
Niet zozeer de politieke evenwichtsoefening tussen de partijen, maar wel de islam kreeg een cruciale rol toebedeeld bij het ontwerpen van de nieuwe grondwet. De islam als richtinggevend instrument van de wetgeving leek en een gerustellend uitgangspunt, want het garandeerde aanvankelijk een plek voor de mensenrechten binnen de grondwet.
Nu echter baart de van essentiële mensenrechtencomponenten ontdane versie van de grondwet de wereld ernstige zorgen. Vrouwengroeperingen hebben niet gewacht om ruchtbaarheid te geven aan hun bezorgdheid. Zij vrezen immers dat een al te enggeestige toepassing van de islam als wetgevende norm allerlei vormen van vrouwendiscriminatie in de hand zal werken en zelfs zal "institutionaliseren".
Meer algemeen geldt dezelfde bezorgdheid rond discriminatie op grond van ras, etnische of culturele origine, sociale status, overtuiging, enz. Nadruk zou bovendien moeten liggen op de ondeelbaarheid van alle mensenrechten: burger,- politieke, culturele, economische en sociale rechten inbegrepen. Daarenboven moeten die ondeelbare mensenrechten ook gelden voor alle niet-Irakezen die in Irak verblijven.

Vrouwen worden in Irak dubbel getroffen. Niet alleen zijn zij ook slachtoffer van het dagelijkse geweld, maar daarnaast is er een stijgend aantal ontvoeringen, verkrachtingen en eremoorden door mannelijke familieleden. Politiek actieve vrouwen, zij die zich niet houden aan de strenge kledingvoorschriften en vrouwelijke mensenrechtenactivisten lopen het meest gevaar. Zowel gewapende groepen als religieuze extremisten hebben het op hen gemunt.
De Iraakse overheid heeft in augustus 2004 de doodstraf opnieuw ingevoerd. De eerste executies hadden plaats op 1 september 2005. In 2006 zijn er ten minste 65 mensen geëxecuteerd, waaronder twee vrouwen. Er zitten momenteel nog een paar honderd mensen in de dodencel.

Op zondag 7 maart waren het parlementsverkiezingen. Ondanks de enorme veiligheidsvoorzieningen vielen er in het land zeker 38 doden en meer dan 100 gewonden bij verschillende aanslagen. Het ging om de tweede parlementsverkiezingen sinds de val van dictator Saddam Hoessein. In 2005 greep de Sjiitische partij van Nouri al-Maliki de macht. Nu mochten 19 miljoen Irakezen naar de stembus om te bepalen wie aan de macht komt in de periode waarin de Amerikaanse troepen het land zouden verlaten. In totaal moesten er 325 parlementsleden gekozen worden.
Er stonden in totaal maar liefst 74 partijen op de kiesbrief. De sjiitische partij van eerste minister Nouri al-Maliki en de niet-religieuze partij van gewezen premier Iyad Allawi zouden als winnaars uit de bus kunnen komen. Om de veiligheid te garanderen werden tweehonderdduizend militairen en agenten opgetrommeld en bleven de grenzen en de luchthavens gesloten van zaterdagavond tot maandagochtend.
Nadat ruim 90% van de stemmen geteld waren, bleek dat Iraqiya en de Rechtsstaat-alliantie van zittend premier Nouri al-Maliki beide circa 2,5 miljoen stemmen hadden. De definitieve uitslag werd pas tegen het eind van de maand bekendgemaakt.

In 2013 werden vooral in Bagdad heel wat aanslagen gepleegd met een groot aantal slachtoffers.
In juni 2014 begon de separatistische organisatie Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIS, later IS) vanuit het noorden van Irak een offensief tegen het regeringsleger. ISIS veroverde vanuit het noorden van het land de steden Mosoel, Tikrit, Baiji, Saadiyah en Jalawla. Volgens de UNHCR van de Verenigde Naties vluchtten 800.000 mensen voor het geweld. De opmars van ISIS kon pas worden gestopt bij de voor Sjiieten heilige stad Samarra, iets meer dan 100 kilometer ten noorden van Bagdad. Samen met de steden Falluja en Ramadi in de westelijke provincie Anbar, die in 2013 al grotendeels onder controle van ISIS vielen, kreeg de beweging zo vrijwel het hele westen en midden van het land in bezit.

Tien jaar na IS denken Iraakse soennieten aan wederopbouw
De soennieten in Irak zijn een van de grootste slachtoffers van terreurgroep IS (Isis, Daesh). Ze raakten ontheemd, leefden onder haar radicale bewind of werden vermoord. Vandaag kijken ze voorbij dat slachtofferschap en eisen hun aandeel op. In heel wat steden is er gelukkig niet veel meer dat herinnert aan die periode. Bruggen en andere infrastructuurwerken zijn hersteld, de meerderheid van de in puin geschoten huizen herbouwd. En vooral: het wordt er terug veilig!
Tijdens het bewind van Saddam Hoessein hadden de soennieten de trouwtjes in de politiek in handen. Maar na de Amerikaanse invasie van Irak, in 2003, raakten ze de macht kwijt. Nationaal zijn de sjiieten inmiddels in de meerderheid. En omdat soennieten in 2005 uit protest tegen het nieuwe politieke systeem de verkiezingen boycotten, stonden ze jarenlang buitenspel. Het gebrek aan zeggenschap leidde tot frustratie, steun voor radicale groepen en uiteindelijk IS.
Daar is iedereen inmiddels van teruggekomen. Men beseft nu in de ooit door IS bezette soennitische steden hoe waardevol het thuisland is. In Iraaks Koerdistan en Bagdad zagen de ontheemden de modernisering en na hun terugkeer kopieerden de bewoners niet alleen de groene middenbermen, winkelcentra en bouwstijlen, maar ook de grotere sociale vrijheid. Zo wonen hier nu twee soorten vrouwen: de nieuwe, moderne vrouwen, die naar buiten gaan en hun kinderen naar de opvang sturen, en de anderen, die achterbleven en radicaler werden.
De lange muur bij de begraafplaats in het stadje Haditha (ten noordwesten van Bagdad en ten oosten van Al Qa'im) hangt vol met foto's van inwoners die in de strijd tegen IS zijn omgekomen. Eind 2014 belegerde de terreurgroep een jaar en negen maanden lang deze soennitische stad, gelegen op een eiland in de Eufraat. Een groep van zo'n vijftien inwoners besloot tot verzet en bouwde een wal om de aanvallers buiten te houden. Al snel vormde het stadje een eiland in bezet gebied, wat IS alleen maar vastberadener maakte om het te veroveren. Slechts zo'n 15 procent van de 105.000 inwoners vertrok. Wie bleef, deed mee aan het verzet. Belangrijk was dat ze de mythe dat IS niet te verslaan was, onderuithaalden. IS kwam om te verdelen, te doden en te plunderen. Er blijven trouwens nog heel wat infiltranten van IS werkzaam in de buurt. Die leggen nog steeds bermbommen en daardoor laaien gevechten voortdurend terug op. IS is dan misschien wel militair verslagen, maar om de ideologie uit te roeien zijn nog jaren nodig vermits er nooit verzoeningspogingen zijn ondernomen.